tricot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[1] leiderstricot voorop
[2] tricot
Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·cot
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tricot tricots
verkleinwoord tricotje tricotjes

Zelfstandig naamwoord

tricot m [2]

  1. sporttrui
    • Heracles Almelo speelt volgend seizoen in een klassiek zwart-wit gestreept shirt. Dat heeft de club deze vrijdag bekendgemaakt. Het huidige thuisshirt bevat enkele blauwe details, die verdwijnen volgend seizoen. Ook krijgt het nieuwe thuisshirt meer zwarte en witte banen dan het huidige tricot. Het nieuwe uitshirt is overwegend blauw, de kleur van de stad Almelo. [3] 
  2. wielrennerstrui als herkenningsteken of als ereteken voor een winnaar
    • Veldrijder Pim Ronhaar heeft de wereldbekercross van Koksijde gewonnen. De Europees kampioen kwam solo aan en boekte zo in het Vlaamse duinzand zjjn eerste grote zege in het tricot van Europees kampioen. [4] 
  3. [3] gebreide stof
    • De Franse modeontwerpster Sonia Rykiel is overleden. Dat heeft haar familie bekendgemaakt aan persbureau AFP. Rykiel is 86 jaar geworden. ‘La Reine du tricot’ overleed aan de gevolgen van de ziekte van Parkinson. [5] 
Verwante begrippen
Hyponiemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen