tricotage

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·co·ta·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Frans [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tricotage tricotages
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tricotage v [2]

  1. (textielindustrie) het machinaal vervaardigen van gebreide stoffen
     In opdracht van de gemeente heeft het bedrijf Kunstwacht een wandmozaïek van de Oldenzaalse kunstenaar Jan Schoenaker gedemonteerd in het pand van de voormalige tricotage/confectiefabriek Oltri aan de Parallelstraat.[3]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. tricotage op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron Stephan Scheper “Wandmozaïek Jan Schoenaker ontdekt in bedrijfspand Oldenzaal” (26-06-2018,), Tubantia