toegeeflijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toe·geef·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen toegeeflijk toegeeflijker toegeeflijkst
verbogen toegeeflijke toegeeflijkere toegeeflijkste
partitief toegeeflijks toegeeflijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

toegeeflijk

  1. inschikkelijk, meegaand
    • Hij is een zeer toegeeflijke man. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.