tochtig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toch·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tochtig tochtiger tochtigst
verbogen tochtige tochtigere tochtigste
partitief tochtigs tochtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tochtig [2]

  1. gepaard gaan met tocht (luchtstroom)
  2. (vrouwelijk ??) dier dat naar paring verlangt
    De bromkoe was weer tochtig, het begon op de brulziekte te lijken
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal