tochtig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toch·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tochtig tochtiger tochtigst
verbogen tochtige tochtigere tochtigste
partitief tochtigs tochtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

tochtig [2]

  1. gepaard gaan met tocht (luchtstroom)
  2. (vrouwelijk ??) dier dat naar paring verlangt
    De bromkoe was weer tochtig, het begon op de brulziekte te lijken
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal