stiefmoederlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stief·moe·der·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen stiefmoederlijk stiefmoederlijker stiefmoederlijkst
verbogen stiefmoederlijke stiefmoederlijkere stiefmoederlijkste
partitief stiefmoederlijks stiefmoederlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

stiefmoederlijk [1]

  1. (figuurlijk) van iets dat het voor iemand niet het belangrijkste is, dat iemand andere zaken belangrijker vindt, van iets dat het op het tweede plan komt
    • Bovendien voorkom je met zo'n extra stimulatie maatschappelijke isolatie. Anderzijds: als men als talentrijk kind zulke extra faciliteiten van de maatschappij krijgt, is het ook goed om deze kinderen iets terug te laten doen, en hun gave en speciale kennis ten dienste te stellen van scholen waar vaak leerkrachten op het gebied van hun gave ontbreken. Dat zou mooi zijn in een tijd waarin muziek, sport en tekenen zo stiefmoederlijk behandeld worden op school. [2] 
    • In duurzaamheidskringen wordt de financieel-economische crisis graag „een kans” genoemd. De crisis laat immers zien dat ons economische ontwikkelingsmodel forse schaduwkanten heeft en biedt daarmee een kans om de steven te wenden. De praktijk is vooralsnog een andere. De groene problematiek wordt na het uitbreken van de financiële crisis in 2008 in politiek en media stiefmoederlijk bedeeld. Van de Tweede Klimaatgolf, die in 2006 piekte, is niet veel meer over. Ook de Eerste Klimaatgolf in 1989 werd destijds gesmoord in economische tegenspoed.[3] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Swaab, Dick Ons creatieve brein [2016] ISBN 978-90-450-3057-9 pagina 459
  3. NRC Wijnand Duyvendak 29 maart 2013