stamhoofd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamhoofd stamhoofden
verkleinwoord stamhoofdje stamhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

stamhoofd o

  1. de baas/leider van een stam.
    Het stamhoofd besloot om de kudde achterna te trekken.
Synoniemen

Meer informatie