staffel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • staf·fel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘berekeningswijze waaruit bij elke wijziging het saldo blijkt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord staffel staffels
verkleinwoord staffeltje staffeltjes

Zelfstandig naamwoord

staffel m

  1. (economie) rente berekend over een bedrag op een rekening-courant over de periode tussen twee wijzigingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
staffelen

staffel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staffelen
    • Ik staffel. 
  2. gebiedende wijs van staffelen
    • Staffel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staffelen
    • Staffel je? 

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen