spoelwater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking

spoel·wa·ter

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spoelwater spoelwaters
verkleinwoord spoelwatertje spoelwatertjes

Zelfstandig naamwoord

spoelwater o

  1. water waarmee of waarin men gespoeld heeft.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.