speeltje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speel·tje
enkelvoud meervoud
naamwoord - -
verkleinwoord speeltje speeltjes

Zelfstandig naamwoord

speeltje o dim. tant.

  1. iets dat dient om mee te spelen; stuk speelgoed; voorwerp van vermaak
  2. een voorwerp dat door een zuigeling gebruikt wordt om mee te spelen
    • Hij laat nu zijn speeltje met opzet op de grond vallen, zodat papa het weer op moet rapen. 
  3. gekscherend iets waar een groot iemand dol op is
    • Ah, ik zie dat je weer een nieuw speeltje hebt? Een nieuwe BMW nog al liefst. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.