spagaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spa·gaat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spreidzit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1970 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord spagaat spagaten
verkleinwoord spagaatje spagaatjes

Zelfstandig naamwoord

spagaat m

  1. een gymnastische houding waarbij een been naar voren en een naar achteren is gestrekt en een hoek van 180° vormen
    • Hij blesseerde zich bij het doen van een spagaat. 
  2. een moeilijke positie waarin iemand verkeert die zich gedwongen voelt rekening te houden met tegengestelde belangen en dergelijke
    • Ze bevindt zich in een spagaat of ze wél of níét die wijziging door moet voeren. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen