sluta

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ä·ta
stamtijd
infinitief verleden
tijd
supinum
sluta
slutade
slutat
volledig

Werkwoord

sluta

  1. eindigen
  2. stoppen
stamtijd
infinitief verleden
tijd
supinum
sluta
slöt
slutit
volledig

Werkwoord

sluta

  1. sluiten