eindigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ein·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
eindigen
eindigde
geëindigd
zwak -d volledig

Werkwoord

eindigen

  1. (inergatief) iets tot een besluit voeren
    Hij eindigde met een verzoek de eenheid te bewaren.
  2. ergens mee stoppen
    Hij eindigde zijn wielercarrière op 30-jarige leeftijd.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen