eindigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ein·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
eindigen
eindigde
geëindigd
zwak -d volledig

Werkwoord

eindigen

  1. inergatief iets tot een besluit voeren
    • Hij eindigde met een verzoek de eenheid te bewaren. 
  2. ergens mee stoppen
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.