slonzig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slon·zig
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van slons met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen slonzig slonziger slonzigst
verbogen slonzige slonzigere slonzigste
partitief slonzigs slonzigers -

Bijvoeglijk naamwoord

slonzig

  1. slordig, vies, vuil

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be