sliep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sliep

Werkwoord

vervoeging van
slapen

sliep

  1. enkelvoud verleden tijd van slapen
    • Ik sliep. 
    • Jij sliep. 
    • Hij, zij, het sliep. 
vervoeging van
sliepen

sliep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sliepen
    • Ik sliep. 
  2. gebiedende wijs van sliepen
    • Sliep! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sliepen
    • Sliep je? 
     De dagen daarna sliep ik steeds alleen, en langzaam maar zeker groeide mijn zelfvertrouwen.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be