slice

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slice
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord slice slices
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

slice v/m

  1. (sport) een kapbal bij tennis, waarbij de bal een achterwaartse rotatie krijgt
     In plaats van veelal de harde en vlakke backhand sloeg hij nu vaker een slice, om te vertragen en de bal laag te houden.[1]
     Barty, 1 meter 66, heeft een atypisch spel in het huidige vrouwenveld. Ze kan de bal best een harde klap geven, maar kiest veel vaker voor de vertraging. Op haar backhand gaat bijna alles met de slice.[2]
     Ze stuurde de Kroatische van links naar rechts en varieerde tussen de slice en vlakkere groundstrokes.[3]
  2. punt of stuk m.n. van een pizza
Synoniemen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Rik Spekenbrink en Wout Fassbender “Djokovic klopt Federer in langste finale Wimbledon ooit” (14 juli 2019), Het Parool
  2. Bronlink Weblink bron Rik Spekenbrink “Bijtertje Barty krijgt Sjarapova klein” (20-01-2019), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron Rik Spekenbrink “Hogenkamp vecht, maar strandt op US Open” (28-08-2019), Tubantia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be