sfincter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sfinc·ter
enkelvoud meervoud
naamwoord sfincter sfincters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sfincter ; m

  1. (medisch): kringspier, sluitspier
Vertalingen

Gangbaarheid

16 % van de Nederlanders;
16 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be