schuieren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schui·e·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schuieren
schuierde
geschuierd
zwak -d volledig

Werkwoord

schuieren

  1. overgankelijk met een enigszins ruw voorwerp een stoffen of leren voorwerp bewerken ter reiniging
    • Hij schuierde zijn juchtleren jasje en het was weer als nieuw. 
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.