Naar inhoud springen

schoonfamilie

Uit WikiWoordenboek
  • schoon·fa·mi·lie
enkelvoud meervoud
naamwoord schoonfamilie schoonfamilies
verkleinwoord - -

deschoonfamiliev

  1. (familie) de familieleden van iemands huwelijkspartner
     Zelfs zijn flauwste moppen veroorzaakten onmiddellijk lachsalvo's, terwijl het bij mijn schoonfamilie altijd net een seconde te lang stil blijft als ik een grapje maak.[2]
     Er is de afgelopen weken veel gespeculeerd, maar over één ding waren de aanklager en de verdediging het eens: Patterson heeft haar schoonfamilie bij een lunch giftige paddenstoelen voorgeschoteld.[3]
  1. schoonfamilie op website: Etymologiebank.nl
  2. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Bronlink geraadpleegd op 7-7-2025 Weblink bron
    Meike Wijers
    “Australische schuldig bevonden in zaak veelbesproken paddenstoelenmoord.” (7-7-2025), NOS