schimpnaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schimp·naam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schimpnaam schimpnamen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schimpnaam m [1]

  1. spottende, beledigende of krenkende bijnaam voor iemand of een groep personen
    • Er verschijnt niet vaak een boek waaraan iemand vijfenveertig jaar heeft gewerkt, luidde in 1999 de eerste zin van een recensie in NRC Handelsblad. Besproken werd het Groot Schimpnamenboek van Nederland, door Dirk van der Heide. Schimpnamen, of locofaulismen, zijn bijnamen voor inwoners van een stad of dorp waar een verhaal achter zit. [2] 
    • Je zou denken dat er allang een overzicht van oude scheldwoorden zou bestaan, maar dat bleek niet het geval. Jongenelen kon ze ook niet snel bij elkaar zoeken, want soms had Mak vermeld dat het om een ‘scheldnaam’ of ‘schimpnaam’ ging, maar meestal niet. [3] 
    • Zo is de schimpnaam Jan Laefcutte voor ‘iemand die de vrouwen laaft, gerieft’ slechts aangetroffen in één rederijkerstekst uit de tweede helft van de 16de eeuw, maar daarmee heb je wel een zeer oude vindplaats te pakken voor cutte in de betekenis ‘vagina’. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joke Mat 19 juli 2014 Rechercheur met een passie voor scheldwoorden
  3. NRC Ewoud Sanders 3 december 2012 Scheldwoorden uit de 16de eeuw
  4. NRC Ewoud Sanders 3 december 2012 Scheldwoorden uit de 16de eeuw
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be