schamel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·mel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schamel schameler schamelst
verbogen schamele schamelere schamelste
partitief schamels schamelers -

Bijvoeglijk naamwoord

schamel

  1. waarvoor men zich schaamt
    Dit is toch een schamele vertoning.
  2. gering in omvang
    Ik heb een schamel bedrag bij elkaar gespaard.
Vertalingen