schamel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·mel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schamel schameler schamelst
verbogen schamele schamelere schamelste
partitief schamels schamelers -

Bijvoeglijk naamwoord

schamel

  1. waarvoor men zich schaamt
    • Dit is toch een schamele vertoning. 
  2. gering in omvang
    • Ik heb een schamel bedrag bij elkaar gespaard. 
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.