schadde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Schadde

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schad·de
enkelvoud meervoud
naamwoord schadde schadden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schadde v

  1. (verouderd) een veen- of heideplag als brandstof bedoeld
    • Vroeger hing een meisje op kerstavond aan de deur van een vrijer een schadde.[1] 

Gangbaarheid

6 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Dopavond 1 aug 1998