royalty

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ro·yal·ty
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘aandeel in de opbrengst’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
  • uit het Engels [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord royalty royalty's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

royalty v/m

  1. vergoeding om iets te mogen gebruiken m.n. in het kader van intellectueel eigendom
    • In 1997 nam de zanger een drastische stap. Hij besloot de zogeheten Bowie Bonds in te stellen. Daarbij kregen investeerders recht op de royalty-opbrengsten van zijn liedjes gedurende tien jaar. Na die periode kreeg Bowie zelf de rechten weer in handen. [3] 
  2. lid van de koninklijke familie
    • De sportiviteit van de man ontging ook prins Harry, prinses Kate en prins William niet. De royalty's stonden aan de finish om de lopers te begroeten en trakteerden Rees op een applaus. Beide mannen finishten de marathon uiteindelijk onder de drie uur. [4] 
    • Een ding is zeker: niemand weet wat ze kiest. De kleding blijft tot het laatste uur net zo geheim als de trouwjapon van prinses Kate of de inhuldigingsjurk van Koningin Máxima. En, neen, die vergelijking is geen majesteitsschennis, want bij gebrek aan koningshuis wordt het echtpaar vanaf vandaag de facto 'Amerikaanse royalty'. [5] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen