robber

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rob·ber
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord robber robbers
verkleinwoord robbertje robbertjes

Zelfstandig naamwoord

robber m [1]

  1. (bridge) reeks, meestal 3, bridgepartijen
    • 6 maart Batavia bezet. Voortaan wappert de Rijzende Zon op Buitenzorg. Men sprak er over aan de bittertafel; over de verwoesting van olievelden, rubberplantages en tinmijnen. De man met den zwart-hoornen bril en de diamanten dasspeld vloekte en zei dat het mis zou gaan met de aandeelen. 'Ober, áánneme!' De kaarten werden geschud voor een nieuwen robber. [2] 
  2. een vechtpartij
    • Hij schijnt erg machtig te zijn en dat moet ook wel want ik heb eens gehoord, dat de lui in dat land veel van ruzie houden en er wel eens een stevig robbertje gevochten wordt.' [3] 

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders
52 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Volkskrant 2 maart 2016 Bert Voeten (1918-1992), dichter en vertaler. Ingekort fragment uit Doortocht - Een oorlogsdagboek. Contact, 1946.
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 78