robber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rob·ber
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘reeks partijen (bij bridge, whist)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1810 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord robber robbers
verkleinwoord robbertje robbertjes

Zelfstandig naamwoord

robber m [2]

  1. (bridge) reeks, meestal 3, bridgepartijen
    • 6 maart Batavia bezet. Voortaan wappert de Rijzende Zon op Buitenzorg. Men sprak er over aan de bittertafel; over de verwoesting van olievelden, rubberplantages en tinmijnen. De man met den zwart-hoornen bril en de diamanten dasspeld vloekte en zei dat het mis zou gaan met de aandeelen. 'Ober, áánneme!' De kaarten werden geschud voor een nieuwen robber. [3] 
  2. een vechtpartij
    • Hij schijnt erg machtig te zijn en dat moet ook wel want ik heb eens gehoord, dat de lui in dat land veel van ruzie houden en er wel eens een stevig robbertje gevochten wordt.' [4] 
    • Sommigen hadden het nog wel over een robbertje vechten met de vijand, maar in de lagere regionen waar Albert en zijn kameraden zaten, was men sinds de overwinning van de geallieerden in Vlaanderen, de bevrijding van Lille, de Oostenrijkse aftocht en de capitulatie van de Turken meestal een stuk minder uitbundig dan de officieren. [5] 

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "robber" in: Sijs, N. van der Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. 2e druk (2002) Veen, Amsterdam / Antwerpen; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Volkskrant 2 maart 2016 Bert Voeten (1918-1992), dichter en vertaler. Ingekort fragment uit Doortocht - Een oorlogsdagboek. Contact, 1946.
  4. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 78
  5. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11