rechteloosheid
Uiterlijk
- rech·te·loos·heid
- afgeleid van rechteloos met het achtervoegsel -heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rechteloosheid | rechteloosheden |
| verkleinwoord |
de rechteloosheid v
- het rechteloos zijn
- De arbeiders protesteerden tegen hun rechteloosheid.
- Het woord rechteloosheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.