receptuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·cep·tuur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘leer van het voorschrijven van medicijnen’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • uit het Duits [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord receptuur recepturen
verkleinwoord receptuurtje receptuurtjes

Zelfstandig naamwoord

receptuur v [3]

  1. voorschrift hoe je iets moet maken of bereiden
    • „Maar als een retailer onze producten in zijn assortiment wil opnemen, geven we dit met liefde uit handen aan een jamproducent”, vertelt Weerts. „Zolang die maar onze receptuur en ingredienten gebruikt. Het gaat ons namelijk niet om het stempel ambachtelijk, maar om het tegen gaan van voedselverspilling.”[4] 
    • Ticket To Ride kent inmiddels een beproefd receptuur en dat smaakt met deze losstaande Europa editie niet anders. De basis staat als een huis en de nieuwe elementen zorgen voor verdieping en uitdaging.[5] 
  2. (medisch) de leer hoe men medicijnen moet voorschrijven
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen