receiver

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·cei·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord receiver receivers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

receiver m

  1. ontvanger
  2. (communicatie) apparaat voor het ontvangen van signalen
Antoniemen


Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl