raamloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • raam·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van raam met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen raamloos raamlozer raamloost
verbogen raamloze raamlozere raamlooste
partitief raamloos raamlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

raamloos

  1. zonder ramen
    • Een raamloos vliegtuig voor passagiers heeft veel voordelen boven het huidige type met kleine raampjes. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.