Naar inhoud springen

pomper

Uit WikiWoordenboek
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pomper
pompais
pompé
eerste groep volledig

pomper

  1. pompen [1]; vloeistof of gas met behulp van een pomp verplaatsen
  2. (spreektaal) afkijken, spieken
    «Mon devoir, je l’ai pompé sur internet et j’ai eu 16 sur 20!»
    Ik heb mijn huiswerk op internet bij elkaar gespiekt en ik had een 8!! [1]
  3. (spreektaal) pijpen [1]
  4. (spreektaal) bakken (bij een examen) [1]
  5. (spreektaal) hijsen, zuipen [1]
  6. (spreektaal) vermoeien, uitputten
    «Il nous pompe avec son histoire de merde!»
    We worden doodmoe van zijn kloteverhaal! [1]