Naar inhoud springen

pieken

Uit WikiWoordenboek
  • pie·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pieken
piekte
gepiekt
zwak -t volledig

pieken

  1. inergatief, (sport) uitzonderlijk goed presteren
    • Hij is echt aan het pieken, iedereen verwacht nu een record. 
  2. plotseling een hoge waarde aannemend
     Wanneer ik me kalm voel, blijkt mijn hartslag ineens te pieken, en wanneer ik zelf veel stress ervaar, blijft mijn hartslag stabiel.[1]

depiekenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord piek
     Gewapend met pieken, zwaarden en later geweren, speelden deze groepen een belangrijke rol in de lokale veiligheid.[2]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]
  1. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  2. Bronlink geraadpleegd op 6-7-2025 Weblink bron “Schuttersfeest op volle toeren dankzij vrijwilligers: 'Goed voor saamhorigheid'” (6-7-2025), NOS
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be