pieken
Uiterlijk
- pie·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| pieken |
piekte |
gepiekt |
| zwak -t | volledig | |
pieken
- inergatief, (sport) uitzonderlijk goed presteren
- Hij is echt aan het pieken, iedereen verwacht nu een record.
- plotseling een hoge waarde aannemend
- ▸ Wanneer ik me kalm voel, blijkt mijn hartslag ineens te pieken, en wanneer ik zelf veel stress ervaar, blijft mijn hartslag stabiel.[1]
1. uitzonderlijk presteren
de pieken mv
- Het woord pieken staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "pieken" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑
Weblink bron “Schuttersfeest op volle toeren dankzij vrijwilligers: 'Goed voor saamhorigheid'” (6-7-2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Sport in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %