pandemisch
Uiterlijk
- Geluid: pandemisch (hulp, bestand)
- pan·de·misch
- In de betekenis van ‘overal verbreid (van ziekte)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
- afgeleid van pandemie met het achtervoegsel -isch [2]
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | pandemisch | pandemischer | |
| verbogen | pandemische | pandemischere | |
| partitief | pandemisch | pandemischers | - |
pandemisch
- algemeen, overal verbreid
- Het woord 'pandemisch' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.