overdekt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·dekt
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van overdekken: de stam met de uitgang -t, zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
overdekken

overdekt

  1. voltooid deelwoord van overdekken

Werkwoord

vervoeging van
overdekken

overdekt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overdekken
    • Jij overdekt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overdekken
    • Hij overdekt. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van overdekken
    • Overdekt! 
  4. voltooid deelwoord van overdekken
stellend
onverbogen overdekt
verbogen overdekte
partitief overdekts

Bijvoeglijk naamwoord

overdekt

  1. Voorzien van een dak, niet in de buitenlucht
    • Je kunt tennissen in een overdekte hal. 
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.