ouïr
Uiterlijk
- Van het Latijnse "audire" (horen)
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ouïr |
oyais |
ouï |
| derde groep | volledig | |
ouïr overgankelijk
- (verouderd) horen, vernemen, maar vaag, uit onbekende of niet nader te noemen bron
- «J'ai ouï dire que ...»
- Ik heb horen zeggen dat ...
- «J'ai ouï dire que ...»
- (juridisch): horen, verhoren, van getuigen
- komt in het modern Frans alleen voor in de infinitief of als voltooid deelwoord (bv. in de passé composé)