opwegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·we·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opwegen
woog op
opgewogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

opwegen

  1. absoluut ~ tegen: een tegenwicht vormen; een even belangrijke zaak vormen
    • Dat heeft bij hem daar nooit tegen opgewogen. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.