optometrist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·to·me·trist
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord optometrist optometristen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

optometrist m

  1. (beroep) oogmeetkundige

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Meer informatie