oplopend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lo·pend
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
oplopen

oplopend

  1. onvoltooid deelwoord van oplopen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oplopend oplopender oplopendst
verbogen oplopende oplopendere oplopendste
partitief oplopends oplopenders -

Bijvoeglijk naamwoord

oplopend

  1. hellend, steeds hoger wordend
    • De kwartronde vergaderzaal is uitgevoerd in gewapend beton en heeft een oplopend dak met radiaal geplaatste spanten. [3]
  2. (figuurlijk) een steeds hoger niveau bereikend, stijgend
    • Ze proberen de frustrerende onmacht te bezweren van een samenleving die gevangen zit in een oplopend conflict en niet in staat is haar meest kwetsbare leden - kleine kinderen - te beschermen. [4]
  3. (figuurlijk) (van het karakter van mensen) erg emotioneel wordend, opvliegend
    • Bewaar uw kalmte; langs vaderszijde zijt gij van een oplopend geslacht, ofschoon verscheidene familieleden beproefden deze hartstocht te beteugelen. [5]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen