oplopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oplopen
liep op
opgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

oplopen

  1. ergatief naar boven hellen
    • De grond loopt hier op. 
  2. ergatief iets ~: lopend naar boven gaan
    • Hij liep de trap op. 
  3. ergatief in getal of hoeveelheid toenemen
    • De temperatuur liep zodra de zon opgekomen was flink op. 
  4. overgankelijk een besmetting of beschadiging verkrijgen
    • Hij had in dat kroeggevecht een blauw oog opgelopen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.