onwankelbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·wan·kel·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onwankelbaar onwankelbaarder onwankelbaarst
verbogen onwankelbare onwankelbaardere onwankelbaarste
partitief onwankelbaars onwankelbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

onwankelbaar

  1. door niets aan het wankelen te krijgen
    • Zijn onwankelbaar vertrouwen daarin is spreekwoordelijk. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be