omvormen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·vor·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omvormen
vormde om
omgevormd
zwak -d volledig

Werkwoord

omvormen

  1. overgankelijk een andere vorm geven, een geheel andere functie geven
    • Het waren zijn vroegere strijdmakkers die de macht naar zich toe trokken en Algerije omvormden in een socialistische eenpartijstaat, waarin hij ongewenst was. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.