omcirkelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·cir·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omcirkelen
omcirkelde
omcirkeld
zwak -d volledig

Werkwoord

omcirkelen

  1. iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
    • De soldaten omcirkelden de troepen van de vijand. 
    • De dictator werd uiteindelijk omcirkeld in zijn paleis. 
  2. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om een keuze aan te geven
    • Ik omcirkel mijn keuze op het enquêteformulier. 
    • De scholier omcirkelde bij multiplechoicetoetsen altijd het liefst antwoord A. 
  3. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om ergens de nadruk op te leggen of om iets aan te wijzen
    • Mijn moeder omcirkelt altijd de spelfouten in de krant. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.