nuancering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nu·an·ce·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nuancering nuanceringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nuancering v [1]

  1. subtiel verschil aangeven; het nuanceren
    • Ze wordt onderscheiden om ,"haar gerijpte, doorleefde karakterisering en stijl en de nuancering in haar grote, als vanzelfsprekende, danstechnische vaardigheden.[2] 
    • Ik heb zelf soms de wellicht naïeve gedachte dat taal is uitgevonden om vrede te stichten. Met knotsen het bijlen was het namelijk moeilijk nuanceringen in een redenering aan te brengen.[3] 
    • De BV Nederland loopt gevaar en dient nog beter beschermd te worden. Althans, dit is wat men de Nederlandse samenleving wil laten geloven. Ruimte voor enige nuancering lijkt niet geboden, Internationale hedgefundmanagers worden weggezet als hijgerige 'kortetermijn-$hareholders'. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen