noodplan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·plan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noodplan noodplannen
verkleinwoord noodplannetje noodplannetjes

Zelfstandig naamwoord

noodplan o

  1. een plan dat gemaakt is voor noodsituaties
    • Op 11 mei ging de Tweede Kamer akkoord met het noodplan om de euro te redden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.