naamloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • naam·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van naam met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen naamloos naamlozer naamloost
verbogen naamloze naamlozere naamlooste
partitief naamloos naamlozers -

Bijvoeglijk naamwoord

naamloos

  1. anoniem, geen naam hebbend, niet ondertekend met een naam.
    • Het was een naamloze vluchteling. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.