morgenvroeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mor·gen·vroeg
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

morgenvroeg

  1. in de eerste uren van de dag volgend op vandaag
    • Hij gaat morgenvroeg naar een conferentie. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.