monogaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·no·gaam
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘enkelvoudig huwend (van mens) of samenlevend (van dier)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
  • met het voorvoegsel mono- en met het achtervoegsel -gaam [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen monogaam monogamer monogaamst
verbogen monogame monogamere monogaamste
partitief monogaams monogamers -

Bijvoeglijk naamwoord

monogaam [3]

  1. gehuwd (of samenlevend) met één partner (tegelijkertijd)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen