moeier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

Bijvoeglijk naamwoord

moeier

  1. (spreektaal) (informeel) moeër; vergrotende trap van moe

Zelfstandig naamwoord

moeier

  1. (spreektaal) (dialect) moeder
Opmerkingen

Dit is een woord dat in de spreektaal voorkomt dan wel voorkwam in (delen van) Limburg, Brabant en Antwerpen e.o.[1][2][3][4]

Verwante begrippen

Verwijzingen

  1. Kruijsen, Joep (2001). Woordenboek van de Limburgse Dialecten, delen 2-4, p. 24. Uitg.: Van Gorcum, ISBN 9789023237549.
  2. Schuermans, Lodewijk Willem e.a. (1870). Algemeen Vlaamsch idioticon, p. 383. Uitg.: Gebroeders Vanlinthout.
  3. Veen, T. van (1964). Utrecht tussen oost en west: studies over het dialect van de provincie Utrecht, p. 108. Uitg.: Van Gorcum.
  4. Swanenberg, Jos (2001). Woordenboek van de Brabantse Dialecten, deel 3, p. 63. Uitg.: Van Gorcum, ISBN 9789023237563.