metterwoon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • met·ter·woon
Woordherkomst en -opbouw
  • Eigenlijk de vaste woordgroep met der woon (waarin der een versteende datief vrouwelijk enkelvoud is).

Bijwoord

metterwoon

  1. met woonplaats
    • Hij kocht een huisje op Vlieland en vestigde zich daar metterwoon. 
    • Hij werkt nu in het buitenland en heeft Nederland metterwoon verlaten. 

Gangbaarheid