meligheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·lig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meligheid meligheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meligheid v

  1. een stemming waarin flauwe en zouteloze humor wordt gemaakt en die meestal ontstaat door verveling en vermoeidheid
    • In de fractiekamer gaat de stemming richting meligheid als de fotograaf de partijtop positioneert voor een plaatje. Wanneer de man met de flits ’Geerts angels’ maant dichter bij elkaar te gaan staan, zegt Wilders: „Zwoel kijken, Vicky” Maar als de verslaggever daarop z’n pen heft, zegt de PVV-leider gauw: „Dat zei onze eigen fotograaf net.”[1] 
    • Hoewel het verhaal compleet over the top is, blijft alles geweldig bij elkaar. Meligheid en ontroering wisselen elkaar in rap tempo af, er zijn verbluffende special effects, sprookjesachtige decors en alle nummers (bekende Franse chansons met treffende liedteksten van Alex Klaassen) kunnen rekenen op open doekjes.[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf NIELS RIGTER 06 jan. 2017
  2. NRC Brechtje Zwaneveld 22 december 2014