makkers

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mak·kers

Zelfstandig naamwoord

makkers mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord makker

Bijvoeglijk naamwoord

makkers

  1. partitief van de vergrotende trap van mak
    • Dat is iets makkers...