legen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
legen
leegde
geleegd
zwak -d volledig

Werkwoord

legen

  1. overgankelijk van zijn vulling ontdoen
    • Heb je de afvalbak al geleegd? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·gen
Naar frequentie 1193

Zelfstandig naamwoord

legen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van lege