legen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
legen
leegde
geleegd
zwak -d volledig

Werkwoord

legen

  1. overgankelijk van zijn vulling ontdoen
    • Heb je de afvalbak al geleegd? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·gen
Naar frequentie 1193

Zelfstandig naamwoord

legen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van lege