leesdoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lees·doel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leesdoel leesdoelen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leesdoel o

  1. hoeveel en wat men wil lezen
    • ,,Het probleem is niet dat er geen goede boeken verschijnen', vindt Epstein. Wèl dat ze zo snel uit roulatie worden genomen. ,,Mensen werken tien, twintig jaar aan een boek, maar na zes maanden is het nergens meer te koop.' Het oude aanbod van de uitgeverijen, de backlist, verdwijnt uit de winkels. `Alle boeken die ooit zijn geschreven', het oude leesdoel van Epstein, zijn niet of nauwelijks nog te koop. [1] 
  2. het resultaat dat men door lezen wil behalen
    • Otterspeer typeerde deze zienswijze in De Gids als een “filologische fixatie op foutjes”, oftewel een vorm van muggenzifterij die de kwaliteit van de biografie tekort deed. Het leesdoel van de bezorgers zou er uit hebben bestaan Otterspeer op uitglijers te betrappen, in plaats van tot constructieve kritiek te komen. [2] 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Arjen Fortuin 8 februari 2002 `Ik wilde alle boeken lezen die ooit verschenen zijn'
  2. NRC Sebastiaan Kort 13 maart 2014 Opnieuw scherpe kritiek op Hermans-biografie